A
B
1
stond geparkeerd/stond stil
2
verliet een parkeerplaats/opende de deur
4
reed weg van een parkeerplaats, een uitrit, een onverharde weg
5
was bezig een parkeerplaats, een inrit, een onverharde weg op te rijden
6
wilde een rotonde oprijden
8
botste op achterzijde, in dezelfde richting en op dezelfde rijstrook rijdend
9
reed in dezelfde richting en op een andere rijstrook
10
veranderde van rijstrook
15
kwam op een rijbaan bestemd voor het tegemoetkomend verkeer
16
kwam van rechts (op een kruising)
17
lette niet op een voorrangsteken of een rood licht
0
aantal aangekruist
0